De Spanjaarden waren oorspronkelijk enkel geïnteresseerd in de economische waarde van cacao. Ze vonden de chocoladedrank vreselijk en beschouwden de rites en gewoonten als godslastering. Na enkele decennia konden de Azteken de Spanjaarden overtuigen van de grote voedingswaarde en geneeskundige krachten van cacao, cacaoboter en de chocoladedrank.
1528: Cortés importeert de eerste cacaobonen in Spanje, dat de cacaoteelt controleerde en stimuleerde in een beperkt gebied van Latijns-Amerika. Zij domineerden en monopoliseerden zelfs de cacaomarkt en probeerden het geheim van dit nieuwe goud voor zichzelf te houden.
Chocolade komt aan op het Europese continent ... als een geneesmiddel
Toen chocolade aankwam op het Europese continent werd het eerst beschouwd als een geneesmiddel, eerder dan een verrukkelijk voedingsmiddel. Dit had te maken met het Azteekse geloof dat chocolade het lichaam versterkte en sensueel stimulerend werkte. De eerste officiële melding is afkomstig van Bonavontura Di Aragon, broer van Kardinaal Richelieu, in 1653: hij schreef dat het gebruik van chocolade de gezonde werking van de milt en andere verteringsfuncties zou stimuleren.
Een ander voorbeeld van deze geneeskundige classificatie van chocolade is terug te vinden in de allereerste publicatie van een chocoladerecept, door de Spaanse arts Antonio Colmenero de Ledesma in 1631. Dit was gebaseerd op het oude Azteekse recept, maar de bittere smaak werd verbeterd door bloemen en kruiden toe te voegen als anijs, vanille, rozen van Alexandrië, kaneel, amandelen, hazelnoten ... De toegevoegde specerijen hingen af van de fysieke kwaaltjes waaraan iemand leed.
Apothekers en artsen voegden in de 17e eeuw vaak hun eigen “functionele en beproefde” medicijnen toe aan het chocoladerecept. De smaak van chocolade maakte de vaak bittere en slechte smaak van veel medicijnen aanvaardbaarder.
In de 17e en 18e eeuw werd chocolade regelmatig voorgeschreven of gemengd in medicatie tegen alle soorten kwaaltjes en ziekten: de Nederlandse arts Bontecoe beschouwde cacao als uiterst efficiënt tegen verkoudheden en hoestbuien. Volgens de Fransman Lémery bevorderde chocolade de vertering, vruchtbaarheid en menselijke weerstand tegen verkoudheden en de griep. Chocolade werd zelfs beschouwd als “hersenvoedsel”, dat de mentale prestaties van mensen verbeterde of mensen die leden aan depressie kon helpen. Dit werd bevestigd door artsen over heel Europa: Bontecoe, Brillat-Savarin, Lémery en vele anderen.
Aangezien de geneeskundige eigenschappen van de chocoladedrank gebaseerd op het recept van de Azteken ruim aanvaard waren, werd chocolade al snel het voorwerp van misbruik door charlatans die voordelen toeschreven zonder enig bewijs. Chocolade werd ook een bron van oplichting en fraude, zoals het gebruik van afvalproducten (bijvoorbeeld goedkope cacaoschillen) in plaats van de kostbare pit van de cacaobonen.
... en uiteindelijk als een zoete lekkernij
Benzoni, een onderzoeker in dienst van het Spaanse leger beschrijft in zijn reisverhalen in 1565 voor het eerst hoe de cacaodrank wordt bereid. De Spanjaarden houden dit geheim van de rest van de wereld, in de hoop hun monopolie op de cacaohandel te kunnen behouden.
Toch danken we het recept voor zoete chocolade aan de kloosterzusters van Oaxaca (Mexico) – zij maakten de chocoladedrank populair bij de kolonisten door honing, kaneel en rietsuiker toe te voegen. Spaanse monniken introduceerden als eerste de zoete delicatesse in Spanje rond 1590. Zij maakten de chocoladedrank zoeter met honing en vanille. De zoete sensatie die zij ontwikkelden lag aan de basis van ons huidige chocoladerecept en zou de wereld zeer snel veroveren.
In 1606 onthulde de Italiaanse handelaar Carletti de geheimen van cacao en de bereiding van de chocoladedrank aan zijn medelandgenoten. Carletti had cacao en chocolade geproefd in West-Indië en Spanje. Een sensatie die hij wilde delen met zijn landgenoten ... en met een groot effect. In Italië leidde dit tot een echte chocolademanie, met “cioccolatieri” die de deuren openden in alle grote steden en Perugia als het hart van de Italiaanse chocoladewereld. In Venetië doken de eerste chocoladewinkels op. Vanuit Italië werd chocolade geïntroduceerd in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland.
De Fransen leerden chocolade kennen in 1615: toen Lodewijk XIII huwde met de Spaanse Anna van Oostenrijk. Ze verhuisden naar Frankrijk en zo werd de chocoladedrank geïntroduceerd bij het koninklijk hof. Anna bracht zelfs haar eigen meid mee naar Frankrijk, Molina, een mooi meisje dat de cacaodrank van de koningin bereidde.
De Nederlanden werden in de 14e eeuw een deel van het Spaanse imperium, wat de vroege introductie van cacao (in 1621) verklaart. De West-Indische Compagnie importeerde zelfs cacao via de haven van Amsterdam, richtte er kleinschalige productie-eenheden op voor de verwerking van cacao en verkocht deze aan buitenlandse handelaars.
België werd na de dood van Karel de Kale in 1477 geannexeerd door het Spaanse imperium. De eerste sporen van cacao zijn teruggevonden in Gent in 1635, in de Baudeloo abdij.
In 1641 proefde de Duitse wetenschapper Johan Georg Volckammer chocolade op zijn reis naar Napels. Hij was zo overweldigd door de smaak dat hij wat chocolade naar Duitsland meenam. Het duurde even voor hij de Duitsers kon overtuigen, maar na een tijdje vielen velen voor de smaak. De Duitsers introduceerden zelfs de gewoonte om een kop warme chocolade te drinken voor het slapengaan. Had dit iets te maken met het Duitse geloof in chocolade als de beste stimulans voor passie?
De Engelsen beschouwden chocolade als “extravagant” toen ze het voor het eerst proefden in 1657. Net als in de rest van Europa was chocolade eerst een privilege en werd het enkel genuttigd aan het koninklijk hof en door edelen. Het werd echter al snel een populair voedingsmiddel voor de hogere klasse.
Tot slot is er Frankrijk. De eerste echte chocolatier, David Chaillou, bereidde en verkocht vanaf in 1659 koekjes en cakes gemaakt met chocolade voor diegenen die het konden betalen. Het was nog wel te vroeg voor de pralines zoals we die vandaag kennen.
In 1674 werd chocolade opgediend als gebakje in de eerste koffiehuizen in het VK.
Toen Heinrich Escher, burgemeester van Zurich, in 1697 Brussel bezocht, proefde hij chocolade bij één van zijn tochten rond de stad. Hij was zo verbaasd en enthousiast dat hij onmiddellijk stalen meenam naar Zwitserland. Escher had wellicht zelf nooit vermoed wat de gevolgen hiervan zouden zijn voor Zwitserland: het zou immers één van ’s werelds grootste chocoladenaties worden.
Godsdienst & Politiek
1662: De Italiaanse kardinaal Francesco Maria Brancaccio bevestigt na jaren lange discussies dat het toegelaten was voor Katholieken om chocolade te nuttigen tijdens de 40 daagse vasten, maar enkel als drank en niet in de vaste vorm, verwerkt in koeken of als pastilles.
1671: De hertog van Plessis-Pralin – één van de ambassadeurs in dienst van Lodewijk XIII – was in een strijd verwikkeld met de inwoners uit Bordeaux, die de autoriteit van de Koning ondermijnden. In één van zijn sluwe buien kwam hij op het idee om een snoepgoed uit te vinden dat de rebellen uit Bordeaux zou afleiden. Hij stelde dit idee voor aan zijn chefkok, Lassagne, die – per toeval – één van zijn souschefs een amandel had zien omhullen met wat overgebleven stukjes suiker. Het idee van de praline was geboren. Het zou echter nog lang duren vooraleer de echte praline – bedekt met chocolade – werd uitgevonden.
Een bedreiging voor cacao
In de 17e eeuw werden de cacaoplantages overgecultiveerd, zodat de bodem uitgeput raakte. Aan de andere kant hadden de kolonisten ziekten en epidemieën verspreid die de lokale bevolking op dramatische wijze troffen. Honderdduizenden mensen stierven: lokale werkkrachten werden zeldzaam en de Spanjaarden vonden niet genoeg mannen om te werken op de duizenden cacaoplantages. Op dat moment dreigde het succes van cacao de eigen toekomst te vernietigen.